Ook voor veel oudere niet-VUC’ers zullen de namen Wim Alkemade, Dick van der Meer, Kees Mol en Bob Rijpstra bekend in de oren klinken. Zij behoorden tot de ploeg, die in 1978 en 1979 op het hoogste amateurniveau van Nederland, toen de hoofdklasse, kampioen werd. De genoemde vier organiseerden zaterdag bij VUC een reünie voor hun voormalige ploeggenoten én – hij mocht natuurlijk niet ontbreken – trainer John van der Lubbe.
De grote kracht van het gouden VUC van toen was de saamhorigheid, zeggen ze. “We deden alles met elkaar, kwamen op elkaars verjaardagen”, vertelt Dick van der Meer, destijds de keeper. “Na de wedstrijden bleven we ook altijd heel lang hangen, uit en thuis.”
De sterke onderlinge band die er destijds was, bleek ook uit de opkomst voor de reünie. Iedereen die was uitgenodigd, kwam deze zaterdag naar Het Kleine Loo. Het weerzien was hartelijk en warm. Sommigen moesten er zelfs een behoorlijk eind voor reizen, onder meer uit Friesland, Winterswijk en Eindhoven. Hun trainer uit die tijd, John van der Lubbe, inmiddels dik in de tachtig, heeft een broze gezondheid, maar werd thuis door oud-verdediger Jan Gerritzen opgehaald.

Ras-VUC’er Van der Lubbe was de architect van de kampioensploeg die een mix was van eigen kweek en goede spelers van buiten. Onder deze trainer, die al op zijn 31e het eerste elftal onder zijn hoede kreeg, werden de Pinguïns in zes jaar tijd drie keer kampioen, van de tweede klasse, de eerste klasse en uiteindelijk de hoofdklasse. De huidige trainer van VUC, Rob de Lange kwam voor de wedstrijd tegen Capelle de reünisten begroeten en sprak zijn illustere voorganger respectvol met ‘meneer Van der Lubbe’ aan.

In diens lijn werd De Lange recent met VUC twee keer achter elkaar kampioen en heeft hij ook een team met een flinke saamhorigheid, maar staat hij nu wel onderaan in de Vierde Divisie. “Had ik maar een spits van het kaliber Kees Mol”, sprak De Lange de wens uit. “Je mag hem hebben”, klonk het gevat uit de zaal.
Met Mol als één van sterkhouders won VUC in het eerste seizoen in de hoofdklasse, 1978-1979, negen wedstrijden op rij, verloor maar één keer en kreeg gemiddeld minder dan één doelpunt per wedstrijd tegen. “We hadden het vermogen om op de nul te spelen”, stelt Bob Rijpstra, toen de jonge aanvoerder. “We hadden misschien niet de beste spelers, maar wel de beste ploeg. We gingen voor elkaar door het vuur.” Wim Alkemade: “De ploeg bestond uit mannen van heel verschillende komaf. Academici en werklui door elkaar heen, zeg maar.”

Kees Mol herinnert zich de brede selectie van Van der Lubbe. “We konden bijna wel twee volwaardige elftallen opstellen.” Centrumspits Mol was amateur-international en hield Karel Bouwens uit de ploeg. De zeer talentvolle aanvaller, die later bij FC Den Haag en Feyenoord een mooie profcarrière zou doormaken, speelde de meeste wedstrijden in VUC 2.
Daarom vertrok Bouwens ook naar RVC en maakte in het tweede jaar van VUC in de hoofdklasse de meest legendarische wedstrijd uit die periode vanaf de andere kant mee. De derby VUC-RVC op tweede pinksterdag 1979 was de laatste wedstrijd van de competitie en beide ploegen stonden samen bovenaan. Wat een ontknoping! Het stadionnetje aan Het Kleine Loo was afgeladen, zaterdag was er voorverkoop van de toegangskaarten geweest.

Aad de Mos was de trainer van RVC en had zoals vaak een verrassing in petto. Iedereen bij VUC vroeg zich die middag vertwijfeld af waar de tegenstander bleef. Totdat er een half uur voor de aftrap vijf taxi’s voor de poort stopten en daaruit de spelers van RVC – omgekleed en wel – stapten. De ‘truc’ werkte niet, hoewel RVC de betere ploeg was, won VUC met 1-0, doelpunt Wim Alkemade. Rijpstra: “RVC was ervan overtuigd dat ze kampioen zouden worden. Ze hadden in de gang naar het veld al bloemen met rood-zwarte linten neergezet. Ik heb nog zo’n bosje mee naar huis genomen.”

Daarmee werd VUC de eerste club in de historie die twee keer achter elkaar kampioen in de hoofdklasse werd. Van der Lubbe maakte die laatste titel niet mee, hij vond het na negen jaar hoofdtrainerschap tijd om te verkassen. De Rotterdammer Leen Admiraal nam het over, onder hem speelde VUC minder sprankelend en was de sfeer minder goed. Toch werd de titel behaald.
In beide kampioensjaren lukte het VUC niet om in de nacompetitie met de nummers één van de andere twee zondag-hoofdklassen nog meer succes te boeken. Captain Rijpstra: “Onbegrijpelijk dat we vooral in dat eerste jaar geen algeheel kampioen van Nederland zijn geworden. We waren ook toen de beste ploeg.”
Het bestuur van VUC ontving de toppers van weleer zaterdag met open armen aan Het Kleine Loo. Ze kregen een lunch aangeboden en een ingelijste herinnering aan de gloriejaren. Bob Rijpstra vroeg een minuut stilte voor de spelers en trainers die inmiddels overleden zijn.
Als vanouds waren het twee mannen uit de jaren zeventig, Dick van der Meer en Floor Klein, die na VUC-Capelle als laatsten de deur van het clubgebouw achter zich dichttrokken. “Ik kan me van de wedstrijden uit die tijd niets meer herinneren”, had Klein, die destijds net als Kees Mol voor het Nederlands amateurelftal werd geselecteerd, eerder verteld. “Maar ik vond vooral de trainingen heel leuk. Het was prachtig dat John van der Lubbe op den duur meer wilde gaan trainen. Konden we niet twee, maar drie avonden per week na afloop een biertje drinken…”
(Groepsfoto: Hasper Pictures)












